Review Roskilde 2002 [2/4]
Op vrijdag laten de Noordse weergoden dan eindelijk van zich horen. Hoe kwamen we bij de ijdele hoop dat het eens een volledig droog Roskilde festival zou worden. In de middag begint het water reeds gestaag uit de hemel te vallen. Dit zijn we gewend. Dit willen we dus eigenlijk niet. Het is maar goed dat we nuchter zijn, want wat sommige festivalgangers ervan bakken is ongelooflijk. Totaal ontredderd sjouwt een groot gedeelte van de menigte gewoon door grote modderpoelen heen alsof ze er niet zijn. Het is maar de vraag of deze mensen vanavond nog bij de les zijn als Grote Naam Nummer vier het podium betreedt. Helaas hebben we door de autopech het, zo werd mij verteld, enorm talentvolle Saybia moeten laten schieten [om 14:00 uur in green]. Het schijnt dat deze Deense band het thuisland direct aan de voeten kreeg met hun debuut The Second You Sleep. Binnen op nummer 1 in de album top-zoveel, dat is in Denemarken nog nooit vertoond met een debuut-CD. Het zou gaan om Coldplay- en Travis-achtige liedjes. Helaas, helaas…
Herrie deel 1
Grote Naam Nummer drie mag om vijf uur ’s middags al aftrappen. Het zijn onze Amerikaanse vrienden van Slayer [vrijdag, 17:00, orange, 28/06/2002] die het immense Orange ter beschikking hebben gekregen. En natuurlijk ken ik Slayer niet, ik ben geen metalfan. Maar de laatste plaat, God Hates Us All, heb ik in de aanloop naar dit festival wel even aandachtig beluisterd. Voor zover dat mogelijk is overigens, want het ongetrainde oor hoort niets dan een enorme muur gitaarbrij met supersnelle speedmetal drums. Dat belooft dus nog wat. Nou, de jongens van Slayer zien er in ieder geval uit als een metalband. Lang haar en kale koppen, maar allen even fors gebouwd met veel zwart leer en tattouages. Zelfs met de oren dicht kun je wel raden wat voor muziek hier ten gehore wordt gebracht. Natuurlijk hou ik mijn oren open. Of het verstandig is, dat is vraag twee. Mensenkinders, wat een herrie is dit! Met veel passie wordt de trashmetal over ons uitgespuwd, en zanger Tom Araya kan met een grote glimlach op z’n gezicht toekijken tussen de nummers door, want men vindt het kennelijk prachtig. Helaas moet ik zeggen dat ik het na een kwartiertje wel gehoord heb. Natuurlijk, ik ben niet vies van een beetje noise, in tegendeel, maar ik zie het toch liever anders verpakt. Velen zullen het wel niet met me eens zijn, maar ja, such is life, stop whining and get over it, ik ben hier degene die zijn mening mag geven. Ha!
Al die pasta
Rond half zes besluiten we om ons maar even te gaan hergroeperen bij de tent. De volgende act die we willen bezoeken begint pas om half negen en we zijn per slot van rekening rechtstreeks vanuit Kopenhagen doorgegaan naar Slayer [we moesten de auto ophalen, remember], en we hebben nog niets gegeten laat staan gedronken. Tevens liggen er nogal wat spullen in de auto die we beter bij de tent kunnen gebruiken. Dus verlaten we tijdelijk de hectiek van het festivalterrein om eens rustig te recupereren bij het troostende licht van het campinggasstel. Zelfgemaakte gooi-er-maar-een-liter-water-op-en-laat-het-koken-pasta met championsmaak, tenminste zo zei de verpakking. Het afgezette stuk gras met een laag zand erop dat dienst moet doen als kookeiland is nog niet bijster gevuld. Pas rond zeven uur komen de eersten met hun wegwerp-barbeques om gewoon even wat hotdogs in elkaar te flansen. Inclusief parasol zijn we ten strijde getrokken, niet omdat de zon nou zo overmatig scheen, maar meer om die enorme wind iets te kunnen beteugelen. Na het tweede blik Tuborg kookt de boel eindelijk een beetje en vindt mijn festivalgenoot, die er verstand van heeft, dat de pastasoep opgediend kan worden. Niet te heet eten uiteraard. Sja, ik had liever vier van die bordjes spaghetti van gisteravond gehad, maar dit werkt ook prima. Als het maar vult.
Terror
Rond 8 uur vertrekken we weer, met dit keer als bestemming Alec Empire [vrijdag, 20:30, green, 28/06/2002]. Wat kan ik zeggen over de heer Empire. Ik maakte voor het eerst kennis met zijn muziek eind jaren 90, toen ik de Sick To Death EP van Atari Teenage Riot hoorde. Alec Empire is daarvan de grote man. Zo tegen het einde van het mainstream-gabber gebeuren in Nederland leek me deze EP een goed voorbeeld van hoe die snoeiharde gabbertechno ook gebruikt kan worden, namelijk in een soort crossover met gruizelige punkrock. Sommige mensen durven het met droge ogen ‘Terror’ te noemen. Eigenlijk heb ik nooit veel aandacht eraan besteed, totdat ik bij Plato in Groningen voor een prikkie [5 CD’s voor €12,50] The Curse Of The Golden Vampire van Alec Empire kocht. Ik verwachtte dan ook van die vergelijkbare stampers zoals ik dat van ATR gewend was. Echter, deze CD uit 1998 bleek vol te staan met meer ambient dan techno, meer rust en geëxperimenteer. Easy listening vergeleken met wat Alec Empire vervolgens op zijn nieuwste plaat heeft gezet. Intelligence And Sacrifice, zo heet de jongste telg van Empire. Als vanouds vormt het belangrijkste deel van deze uitgave weer knetterende übertechno. Het tweede deel is echter ook weer van die rustig voortkabbelende electrische soudscapes. Maar wat er verwacht kan worden van Alec Empire live, dat bleef vooralsnog een groot raadsel.
Pardon my French
Opgesteld redelijk vooraan in het midden laten we het maar gewoon gebeuren. Green is bij lange na niet afgeladen. Ik beloof enkele dolende Skandinaviërs dat ze een stevige pot techno voor de kiezen zullen krijgen als ze vragen wie of wat Alec Empire is, maar zekerheid daaromtrent kan ik zelfs mezelf niet geven. Er staat wel een drumstel op het podium, wie weet. En dan komen ze de bühne op, Alec zelf als laatste. Techno zei ik. Dat zullen die twee Denen me niet in dank afnemen, want meteen als eerste worden we getracteerd op Everything Starts With A Fuck, zo mogelijk een van de hardste en metalpunkende gabbertechno die je je kunt voorstellen. Het volume staat ongelooflijk ver opengedraaid, elke eventuele conversatie wordt meteen en resoluut in de kiem gesmoord. Als een dolgeworden speedslikker springt Empire over het podium, daarbij zijn schelle boodschappen door de lucht slingerend. Het is wel bijzonder opwindend allemaal. De meegebrachte gitarist doet zijn best om zijn steentje bij te dragen aan de enorme geluidsmassa die hier geproduceerd wordt. Maar tegen dit volume is werkelijk geen individueel instrument opgewassen. Het doet haast aan als een soort van satanische zuivering. Door zoveel lawaai los te laten moeten alle gedachten anders dan totale aandacht bij de set wel weggeblazen worden. Denken is onmogelijk, het blijft bij willoos meegesleurd worden in het tempo. Na zo’n drie kwartier hebben we nummers als Intelligence and Sacrifice, Buried Alive, Killing Machine en Addicted to You voorbij horen denderen. Van ambient nog geen spoor, van oorschade waarschijnlijk wel, en dus besluiten we wijselijk om ons heil dan toch eindelijk ergens anders te zoeken. Een ervaring rijker, dat wel, want eindelijk weet ik hoe, pardon my french, teringherrie als dit live klinkt, als je geen volumeknop in de buurt hebt om tegen de klok in te draaien. Stiekem vraag ik me nog af hoe een overtuigd hardcore-gabber zou hebben gereageerd op Alec Empire. Vaak beweert dit volk dat het hun niet snel en hard genoeg kan zijn. Nou, probeer dan wat Empire, ’t zal mij benieuwen hoe lang je het volhoudt.
Grote namen
Het wordt trouwens ook tijd om de biezen te pakken, want Grote Naam nummer vier mag zijn kunstjes gaan vertonen. Jawel, het zijn de Red Hot Chili Peppers [vrijdag, 22:00, orange, 29/06/2002]. Ze stonden in 1998 ook al op het podium hier in Rokilde en toen was het één van de hoogtepunten zo is mij verteld. Eens zien of ze hun torenhoge reputatie als liveband extraordinaire kunnen waarmaken vanavond. De aanloop naar het optreden is er een met gemengde gevoelens. Het blijkt wel dat er supersterren op het podium gaan komen, want de sfeer in het publiek is voor het eerst ietwat grimmig. Dat is allemaal te wijten aan groepjes laat-tieners die zich met 5, 6 man tegelijk, hand in hand, door de menigte proberen te botsen. Gewoon de grootste van het stel voorop laten en dan maar volgen. Rennend naar voren dus. Heel frustrerend als je denkt een mooi plaatsje te hebben gevonden en er weer zo’n stel kamikazes voorbij komt rennen. Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar die vrijdagavond in 2000, toen ik hier ook stond te wachten op een optreden. Toen was dat Pearl Jam, en we weten alemaal hoe dat afgelopen is. Mijns inziens is het dan ook niet het crowdsurfen of wat dan ook wat toen die tragedie veroorzaakte, maar zijn het de onvolwassen en volledig onnadenkende kids die zo nodig op het allerlaatste moment moeten besluiten dat ze liever helemaal vooraan hadden gestaan. Denk daar dan een half uur eerder aan en ga fijn een uur in de regen staan wachten,dan stoor je andere mensen ook niet met je infantiele gedrag! Verder wil ik hier geen woorden meer aan vuilmaken. Het gaat om de muziek.
Skibbidy-doowap
Dat de Red Hot Chili Peppers doorgewinterde muzikanten zijn moge duidelijk zijn. Dat het ook entertainers van het zuiverste soort zijn blijkt nu ook. Met speels gemak wordt het publiek meegesleurd in een mix van komedie en mooie liedjes. Ik twijfelde al nooit aan de kwaliteit van de nummers, maar live gebracht komt er zovel meer bij kijken. De jongens van RHCP hebben dan ook een enorm reservoir aan mooie liedjes. Ik noem enkel de hele plaat Californication, Give It Away en Under de Bridge, de klassiekers van Blood Sugar Sex Magic. Het is werkelijk hartverscheurend, de emotie waarmee Scar Tissue, Otherside, Californication en Under The Bridge worden meegezongen door het publiek. Vooral de manier waarop de schoone blonde Skandinavische dame voor me zich helemaal inleeft in de muziek maakt het optreden al tot een succes. Sponsor en mediapartner Gaffa doet er nog een schepje bovenop door honderden rode strandballen met de naam erop over het publiek heen te laten stuiteren. Het is wel even schrikken als je ineens zo’n bal tegen je hoofd krijgt.
Dat de jongens van de RHCP uitstekende entertainers zijn blijkt wel in de intermissies. Bassist Flea blijkt een uitstekend ‘Skibbidy-doowap’- zanger te zijn, en aan improvisatie is ook zeker geen gebrek. Loze minuten worden zonder probleem gevuld met samenspel tussen Flea en zanger Anthony Kiedis. Maar het echt herkenbare werk blijft natuurlijk het zwaar funkende repertoir, perfect geïllustreerd door megahit Give It Away. De Peppers in optima forma. Het publiek geniet. De band geniet. Het is erg jammer dat tijdens het optreden de hemel werkelijk opengereten wordt, waardoor de regen met enorme vaten tegelijk over ons uitgestort wordt. Tot net onder de schouders kleddernat is het resultaat. Dan is het maar goed dat we hier opeengepakt staan. Alleen krijg ik die nare smaak van al dat gedrang er maar niet uit…
Daarnaast is er mijns inziens nog wel wat ruimte voor kritiek op de organisatie, of tenminste de technische staf. Want een enkele keer, het moet gezegd worden, was de geluidskwaliteit niet optimaal. Zo vielen bij het openingsnummer de drums behoorlijk weg ten opzichte van de andere instrumenten, en was Anthony Kiedis bij Californication toch echt maar op zo‘n 60 procent van het gewenste volume te horen. Het werd gelukkig snel opgelost, maar het blijven vervelende incidenten.
Koffiemelk
Na de Peppers is het tot één uur wachten totdat Grote Naam nummer vijf zich meldt. Dat betekent ruim een uur om eens rond te gaan kijken bij de verschillende podia en de food-stands. Bij onze vaste koffietent [tegenover white] wordt een broodje kaas besteld. Nou ja, broodje. Nou ja, kaas. Het blijkt een mega-maïsbol met enorme stukken brie en sla ertussen te zijn. Het kost dan ook 25 hele kronen [€3,40], maar uitgaande van de kiloprijs van brie lijkt me dat echt geen extreem hoge prijs. Minstens 300 gram van dat spul lijkt ertussen verstopt zijn. Het zal wel optisch bedrog zijn… De koffie aldaar kost overigens slechts 8 kronen [iets meer dan €1], is wat aan de slappe kant, maar je krijgt wel een normale kartonnen beker van 0,2 liter. Alleen jammer dat die Denen niet schijnen te begrijpen dat er voor koffie een speciaal soort melk [koffiemelk!] is uitgevonden. Maar eerlijk is eerlijk, dat weten ze in Duitsland ook niet.
Brallen
Na deze versnapering besluiten we om eens een kijkje te nemen in white, waar op dat moment de Weekend Players aan het spelen zijn. We laten ons verrassen. Het blijkt een soort van loungy poppy makkelijke muziek te zijn met damesvocalen. Het program leert dat het zangeres Rachel Foster betreft. Inderdaad, ik had er ook nog nooit van gehoord. Het sfeertje doet een beetje preuts-clubby aan, zo’n plek waar je als ouder je tienerdochter met een gerust hart naartoe zou laten gaan. Allemaal leuk, alles lekker relaxed, maar op dat moment niet hetgeen waarnaar ik op zoek ben. Ik ben wel weer toe aan wat heftigers. Snel pak ik het programmaboekje erbij. In Blue speelt nu ook Bjørn Svin, een DJ van Deense bodem met enkele in Denemarken klassieke clubhits op zijn naam. Het is een beetje een ondefiniëerbare brei van beats en geluidjes, maar dan heel anders dan wat Remy gisteren ten gehore bracht. Dit grenst toch echt aan het saaie. Misschien ben ik wat al te kritisch vandaag, na die lange stressdag met de auto en het geërger over de pubers bij de Chili Peppers, maar op de één of andere manier kan het me niet bekoren hier in Blue. Voorzichtig droom ik van een verandering van het schema, dat straks wordt aangekondigd dat Rammstein stiekem nog een tweede optreden geeft op Orange. Natuurlijk gebeurt dat niet, dat weet ik ook wel. Maar ja, ik wil zo graag weer overdonderd worden, en ik vrees dat Grote Naam nummer vijf daar niet toe in staat zal zijn.
We trekken voor het eerst dit jaar maar eens richting The Oval, een afgebakend gebied op het festivalterrein waar allerlei spannende hapjes drankjes worden verkocht. Zo kan men zich er te goed doen aan exotische midden-Amerikaanse biertjes, maar is ook een beugel Grolsch een optie. Nou ja, optie, voor 50 kronen [€6,75] koop ik in Nederland bijna een heel krat vol van die dingen. Ach, een standaard tapje Tuborg is ook prima en we kunnen hier tenminste droog zitten. Het gezelschap kan wel wat beter overigens, want het koppel laat-dertigers tegenover ons zit maar te brallen en te doen. Fijn proosten met knetterdure breezers en een beetje de bekers-voor-statiegeldzoekende medemens belachelijk maken. Begrijpen ze dan niet dat de enigen die hier voor aap staan zijzelf zijn?
Suburbia
Toch bewegen we ons rond één uur in de nacht maar weer richting Orange, alwaar de Pet Shop Boys dan eindelijk eens hun Roskilde-optreden van dit millennium gaan geven[vrijdag, 01:00, orange, 28/06/2002]. Ze stonden voor 2000 ook al op de lijst, maar na het Pearl Jam drama besloten ze, zoals zovele bands, toch maar niet op te treden. Het jaar 2002 biedt nieuwe kansen. Het is duidelijk dat de Pet Shop Boys, die ik van vroeger, back in the 80s, nog goed ken, zich ook niet onberoerd hebben gelaten bij de wisseling van stijl de laatste tien jaar. Want wat nu uit de megaspeakers van Orange knalt is niet de disco die ik had verwacht, maar regelrechte club. Het enige wat mij herinnert aan de Pet Shop Boys van toen is de wat zeurende stem van Neil Tennant. De beste man is klaarblijkelijk wat haar verloren, maar aan geestdrift is zeker geen gebrek. Ik heb sinds Discography uit 1991, een verzamelaar, geen nieuw werk van de Pet Shop Boys meer gehoord, maar volgens mij is juist dat oudere werk het beste wat ze te bieden hebben. Being Boring blijft toch een enorm krachtig en mooi liedje, It’s A Sin is zo herkenbaar en bij hun versie van Where The Streets Have No Name, gemixed met Can’t Take My Eyes Off You gaat het voltallige, ongeveer 30.000 man tellende publiek helemaal uit het spreekwoordelijke dak. Maar de grootste klassieker moet toch wel Go West zijn, het liedje dat mondiaal door de voetbalsupporters is omarmd als nummer één meebruller.
Lange dag
Het loopt echter inmiddels al tegen tweeën en het is een lange dag geweest. De zaterdag zal een nog beter gevuld programma bieden, we zullen van half acht tot ver na drieën scherp moeten zijn. En dus wordt in goed overleg besloten om maar eens te gaan genieten van een welverdiende nachtrust.












