Het moet harder

23 December 2007

Wat het is, ik weet het niet. Er sluimert iets aan de oppervlakte. Iets waardoor mijn interesse al snel verglijdt. Voor die paar momenten is het prima. Ik laaf me aan de nieuwigheid van het alles. “Dat ik dit ooit mocht meemaken”, en “Als ik dit enkele jaren geleden geweten had…”.

Het gebeurt me regelmatig. Ik word ingewijd in de wondere wereld van iets anders. Ik geniet met volle teugen van wat dat andere te bieden heeft. Maar na een tijdje wil ik meer, verder, dieper. Op dat moment begint de zoektocht: wat past binnen dit stramien het beste bij mij? Wat valt er nog meer te ontdekken?

Laat ik de muziek als voorbeeld nemen. Sinds ik begin jaren negentig mijn eigen smaak ontdekt dacht te hebben werd ik erg sceptisch. “Meer is er kennelijk niet”, sprak ik mezelf regelmatig toe. Van The Cure liep ik zonder problemen de traditionele West Coast hype die Grunge heet in. Met boegbeelden als Nirvana, Pearl Jam en Soundgarden zat het wel snor. Maar terwijl ik me gelukkig voelde met die noisende pop stroming broedde er iets: dit is het niet. Niet volledig.

Dankzij een goede vriend belandde ik in de minder mainstream maar minstens zo interessante underground gitaarwereld die plots echt Noise mocht heten. Pond, Sonic Youth, Shelter, Unwound, Unsane, Blonde Redhead. Dit was tussen ‘92 en ‘95. Dat ik in diezelfde periode ook Tom Petty (Trompetty!) ontdekte is puur toeval en niet van belang voor dit verhaal. In no time was ineens NOFX de leidraad: alles wat minder opwindend was mocht het label “please me” niet dragen. Dat begon met een fietstocht, van Groningen naar mijn toenmalige woon- en verblijfplaats, Baflo. De eerder genoemde vriend had me een cassette van NOFX meegegeven, om naar te luisteren op de walkman (Sony FTW!). Ik werd direct gegrepen door Linoleum. Zó hard kan het dus!

Tussen ’94 en ’97 heb ik alle hippe punkbandjes gevolgd. Pennywise, Lagwagon, en Green Day. Alles was goed! En ik herinner me dat ik minstens drie platen van Bad Religion mee had op mijn introductieweekend van Econometrie. Dát was wat mij onderscheidde van de rest, dát was ik! Tot ik in 2002 geconfronteerd werd met elektronische muziek. We schrijven de tocht van Chicago naar Cleveland. Yours truly aan het stuur van een redelijk slap afgeveerde, in Toronto gehuurde Ford Windstar, de studie heet inmiddels Economische Geografie. Een hippe studiegenoot gaf mij Tiesto’s Summerbreeze, om lekker te luisteren op de lege snelwegen in Ohio.

Heerlijk was het. Maar bij thuiskomst wilde ik meteen méér! Niks zoete klanken, keiharde techno, dát is wat ik zocht! Dus verdiepte ik mij in de waanzin die Schranz heet: poeierharde techno van Duitse en Poolse DJ’s waarvan de namen inmiddels vergeten zijn. Chris Liebing, de grondlegger, bleef behouden. Deze Duitser weet van wanten! Een gemiddelde set topt de recordboeken qua bpm, maar ook het betere bijna-drone werk gaat hem goed af. Stoempende techno, compromisloos, snoeihard en toch op maat gemaakt. Instappen en blijven, dat is het devies.

Op eenzelfde manier rolde ik de metal wereld in. De systeembeheerder, hoe vooroordeelbevestigend. Lang haar, de gitarist van een lokale Battle Metal band. Ik kocht zijn plaat en was slechts zijdelings onder de indruk. En toen kwam de tip: Turisas’ Battle Metal! Maar er bleek een grotere wereld van harde gitaarmuziek te bestaan. Op Roskilde zag ik dit jaar een aantal bands die hard spelen. Hatesphere op Green en een puike show van In Flames op het hoofdpodium! Terwijl ik met Turisas zieltjes poogde te winnen speelden deze bands de hardste Viking metal die je je maar voor kunt stellen. Vooral In Flames bleef hangen. Hun Reroute to Remain is wat dat aangaat een mijlpaal in melodieuze Zweedse metal.

Inmiddels druk ik Ensiferum op de W810i, met hun weloverwogen Victory Songs. Harde Pagan met een hoog Lord Of The Rings gehalte. De ideale blend van Finse Folk (Humppa!) en Noordse Metal. Hard, gevoelig en vooral zonder compromis. Want dat zei ik eerder: compromissen zijn voor mietjes! Het moet hard. Welnu, daar ligt het euvel. Ik wil graag geprikkeld worden, ik wil geshockeerd worden. Daarvoor leent muziek zich uitermate goed! Maar het gevaar loert immer. Laat ik me eens gaan, heb ik een keer een muziekstroming ontdekt, dan blijkt plots dat er nog veel extremere varianten zijn.

De helft kan ongezien de tering krijgen, die andere helft is weer een opstap naar het volgende. Nóg extremer, nog heftiger. Het moet harder, meedogenlozer, inspirerender. Zo blijf ik de grenzen van de gangbare, en vooral de minder gangbare muziek zoeken. Verras me, overdonder me, kwel me. Het eindigt met het moment dat ik zelf muziek ga maken, omdat het bestaande werk niet aan mijn hoge eisen voldoet. Want eisen stel ik! Ik wil me kunnen spiegelen aan de vruchten van andermans noeste arbeid. Ik ben niet in staat om die thrill te bewerkstelligen. Dat moet een ander doen, en daarop reken ik die ander af!

Ik pretendeer niet alle muzieksoorten te doorgronden. Ik weet alleen heel goed wat ik zelf leuk vind. Zo goed zelfs, dat ik een kansloze relikwie word van mezelf. Want wie ben ik, om bands die echt hun best doen om de top binnen hun stijl te bereiken zo nauwlettend afkeur omdat het niet hard genoeg is. Ze zouden me moeten opsluiten. Ik eis teveel! Als ik zeg dat Ensiferum met One More Magic Potion te slap is, dan ligt dat aan mij! Wat wil ik dan? Wellicht dat de nieuwe en eerste full length van Puscifer me van gedachten doet veranderen… Wacht U voor de trein, er komt ongetwijfeld een kneiter van een band aan! En U, trouwe lezer, hoort er hier het eerst over. Wees geduldig…

No related posts.

Hit me!
  • Twitter
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • eKudos
  • NuJIJ
  • Hyves
  • Print

One Response to “Het moet harder”

  1. Nieuwjaar 2008 | Capwoc.com Muziekblog Says:
    NETHERLANDS NETHERLANDS

    [...] kunnen zijn. Want ik heb nogal wat mood- en minder stemminggerelateerde swings meegemaakt. “Zolang het maar hard is“, dat is wat ik als leidraad meegenomen [...]

Leave a Reply